Wintervlammetjes en Judasoren

Afgelopen weken was het winter-kwakkelweer. Een beetje vriezen, een beetje dooien. Een beetje sneeuw en hagel en vervolgens weer regenbuien. Kwakkelweer, een woord dat voor het eerst opdook in 1888 las ik op internet. Ik dacht altijd dat rond 1900, de winters nog échte winters waren. Ik zie tafereeltjes voor me met arm in arm schaatsende mensen op bevroren kanalen met windmolens op de achtergrond. Maar blijkbaar kwakkelde het toen ook al.

De regen van de afgelopen tijd zorgde ervoor dat het water in de rivieren en beken hoog staat. Beken treden uit hun oevers en de landerijen overstromen. Wandelpaden veranderen in drassige modderpaden. Het landschap krijgt een, voor velen grauwe, troosteloze aanblik. Ik hoor en lees mensen alweer dromen over het voorjaar. Als de natuur ontluikt, de zon aan kracht wint, het frisgroene blad aan de bomen verschijnt en de kleuren en geuren het landschap vullen. ‘De bossen zijn nu zo saai’ hoor ik regelmatig. ‘Er groeit en bloeit niets’.

Toch is dat niet waar. ‘De natuur’ is wel in winterrust maar er groeit toch van alles waaronder verschillende soorten trilzwammen. We kennen in Nederland zo’n 10 soorten trilzwammen in allerlei vormen, maten en kleuren. Kijk maar eens goed om je heen, vooral op loofbomen. Heel herkenbaar is de opvallende gele trilzwam. Een oranje-gele geleiachtige, hersenvormige ‘drilpudding’. Ik noem het wel ‘wintervlammetjes’. Je ze al op grote afstand op de kale, vooral eikentakken, ‘vlammen’. Ze hebben een doorsnede van 1 tot 5 cm maar ik heb ze ook wel van 10 cm gezien. De gele trilzwam wordt in Nederland niet gegeten. In China wordt de zwam wel gebruikt voor medicinale doeleinden.

Het leuke aan trilzwammen vind ik, dat ze het hele jaar door groeien, ook ’s winters, zolang het niet te hard vriest. Ze lijken niet echt winterhard als je de glimmende geleiachtige zwammetjes ziet. Dat klopt deels. Als het stevig vriest, dan schrompelt de zwam terug tot een droge korstachtige structuur. Zodra de vorst verdwijnt zwelt de paddenstoel weer op en komt ie terug, wonderlijk toch?   

Een andere, voor velen bekende, trilzwam is Judasoor. Judasoren groeien vooral op vliertakken, op vochtige plaatsen. Ze hebben roodbruine, oorschelpachtige vormen. De buitenkant ziet er ietwat fluweelachtig uit. Ook deze zwammen schrompelen ineen bij vorst en droogte. Volgens de overlevering danken ze hun naam aan de apostel Judas die zichzelf in een vlier ophing, nadat hij Jezus voor een paar goudstukken had verraden. In het buitenland worden Judasoren ‘boomoren’ genoemd.

In tegenstelling tot de gele trilzwam wordt de Judasoor wel gegeten. Vooral in de Aziatische keuken worden ze veel gebruikt. Je vindt ze o.a. terug als donkere sliertjes in de Tjaptjoi, diverse wokschotels en soepen. Ze schijnen zelfs in de top vijf van meest gekweekte eetbare paddenstoelen te staan. Ook in gedroogde en gemalen vorm worden ze gebruikt.

Proberen? Gemarineerde Judasoor: 2 eetlepels dun gesneden reepjes Judasoor, 2 theelepels sojasaus, 1 eetlepel sterke kippenbouillon, 2 theelepels sesamolie, 3 theelepels azijn, 2 gesnipperde sjalotten, 1 kleine wortel, 1 theelepel zout.

Was de judasoren goed en snijd ze in dunne reepjes, Kook de reepjes ongeveer 3 minuten en zet ze apart. Snijd de wortel in reepjes, Meng zout, bouillon, sojasaus, sesamolie en azijn samen tot een dressing, Meng de dressing door de judasoren en laat een half uurtje marineren. Serveer als bijgerecht bij witte rijst en een groente wokschotel. Eet smakelijk.

Begin je met dit vochtige winterweer zelf te kwakkelen. Dan is misschien een gele trilzwamkuur een idee. In China gebruiken ze het bij diverse luchtweg aandoeningen.

Andre Brasse januari 2021