Zomertoer: de tuin van Gerda en Bert Boekhold in Leek

De Krant op zomertour: door de tuin geleid

LEEK – Het is zomer. De Ongenode Gast is op vakantie en ligt ergens op een strand lekker bruin te garen. Het ideale moment voor de Krant om eens een kijkje te nemen in de verschillende prachtige tuinen die onze mooie regio rijk is. De allereerste tuin die wordt bezocht is die van Gerda en Bert Boekhold in Leek. Vanaf de straat valt de voortuin al op, die beplant is met inheemse planten. Hoewel kleuren en vormen door elkaar heen groeien, is er wel degelijk structuur in de voortuin te ontdekken. Bij de voordeur staat een soort totempaal, in de vorm van een uil. Het huis heet dan ook Uilenborg II. Bert Boekhold vertelt dat hij met zijn vrouw in november 2020 in Leek is komen wonen. Anderhalf jaar geleden dus. ‘Voorheen woonden we in Midwolde, daar hadden 6000 vierkante meter tuin. Ook helemaal beplant. Dat werd ons te veel. Toen zijn we naar Leek verhuisd.’
Van alle planten werd een stuk meegenomen naar Leek. ‘Hier in de tuin stonden bijna alleen maar buxusheggen. Die hebben we eruit laten halen, waarna we verhoogde bakken hebben laten aanleggen. Het beplanten hebben we zelf gedaan.’
Het huis zelf is een modern aandoende bungalow, die een mooi contrast vormt met de wilde voortuin. De achtertuin is een oase van kleur. Insecten zoemen en zweven van roos naar kattenkruid en weer door naar de volgende bloeiende plant. Bladvormen en –kleuren zijn op elkaar afgestemd. Waar het te druk dreigt te worden met verschillende kleine vormen, staat opeens een groot rond blad de rust te bewaren. Vrijwel meteen vallen de drie twee meter hoge keramische dames op, die met licht gebogen nekken minzaam de bezoeker lijken te observeren, vanonder hun breedgerande hoeden. ‘Met die beelden hebben we geluk gehad. Er staat er ook eentje in de voortuin. Ze zijn van een kunstenares, Ada Stel, die toevallig een schoolvriendin van mijn vrouw is. Toen Ada’s atelier ging verhuizen, kwamen de beelden bij ons in de tuin ‘in opslag’. Uiteindelijk mochten we ze houden. Waar we natuurlijk ontzettend blij mee zijn.’
De naam Uilenborg komt van de uitgebreide uilenverzameling die Bert en Gerda in de loop van de jaren hebben verzameld. ‘We woonden eerst in Lunteren. Gerda was eens met een nachtwandeling van de boswachter mee, toen ze uilen hoorde. Dat was het begin van de verzameling. Inmiddels zijn we ermee gestopt, want we kunnen ze niet meer kwijt.’
De verhoogde borders worden van elkaar gescheiden door brede paden. ‘Dat wilden we eigenlijk niet, we willen zoveel mogelijk groen en zo weinig mogelijk steen. Maar Gerda heeft momenteel een rollator nodig en op deze manier kan ze makkelijk overal bij.’ De tegels zijn wel creatief neergelegd, met verschillende klinkers die overdwars gelegd zijn, zodat het niet te netjes is. De paden zijn een mooie tegenhanger voor de drukte in de borders. Blikvanger is een flink hoge Ginkgo biloba die met zijn lichtgroene waaiervormige blad precies genoeg schaduw geeft voor de verschillende soorten Hosta’s waarmee hij zijn border deelt. Hier en daar ligt een hoopje onkruid. ‘Ik ben de uitvoerende partij,’ grinnikt Bert. ‘Gerda kan door de hoge borders goed zelf hier en daar wat onkruid uithalen en ik raap het later op. Maar het meeste werk heb je in de lente. Als alles eenmaal volgegroeid is, heeft het onkruid ook weinig kans.’
Tegen het huis is een serre gebouwd. ‘Dat is het enige wat we aan het huis hebben laten veranderen. Dit is Gerda’s domein.’ Twee luie stoelen kijken uit op de tuin. Tegen de ramen staat het vol met planten. Blikvanger is een enorme palm die in een dito pot in de serre staat. ‘Tja, die heb ik eens gekocht, maar inmiddels wordt hij te groot. Nog een half jaar en dan zal hij toch waarschijnlijk de tuin in moeten. Anders zal hij kromgroeien.’
Gerda is erbij komen staan. Het is niet te geloven dat deze tuin in anderhalf jaar zo gegroeid is. ‘Ik kan het ook niet geloven. Maar we hebben niet alleen de planten verhuisd, ook hebben we onze compost meegenomen. De aarde hier was niet zo rijk, maar toen we de borders met grond vulden, hebben we eerst een laag compost onderin gelegd. Daar de aarde bovenop en toen de planten erin. De eerste zomer gebeurde er niet zoveel, maar op het moment dat de wortels groter worden en bij de compost kunnen, zie je toch dat de groei inzet. Ik bemest soms een klein beetje bij, als ik zie dat er plant het moeilijk heeft. De voortuin bemesten we niet, omdat dat meer wilde planten zijn, bovendien inheems. Dat is dan niet echt nodig.’
In de tuin werken geeft voldoening. Bert zegt: ‘het geeft me geen rust, maar wel de voldoening dat wat de wereld nodig heeft aan moois, in een tuin te vinden is. Er is zoveel ellende, maar hier gebeurt veel moois. De bijen en andere insecten die hier op af komen, de kleuren en alles wat er bloeit. Ik hou ervan.’
Gerda houdt van de herkenning van de verschillende planten.  ‘Als ik in de tuin bezig ben dan weet ik van veel planten nog van wie ik ze heb gekregen, daar zit een herinnering aan. Dat vind ik mooi, dan denk ik weer aan dat persoon. Ook koop ik vaak planten tijdens een open tuin. Ook dat weet ik meestal nog. En kijk, heb je die al gezien?’ Ze wijst op een boompje met bijzondere oranje langwerpige knoppen. ‘Dat is een Erythrina. Die kreeg ik 50 jaar geleden van Bert. En hier staat hij nog steeds. Jammer dat hij nog niet volop bloeit, want dat ziet er prachtig uit.’
Nog één keer door de prachtige tuin dwalen, nog een laatste blik op de wilde voortuin en dan is het tijd om weer naar de redactie te gaan. Op zoek naar de volgende tuin.