Zwammen in de winter

Voor wie er oog voor heeft zijn er zelfs in de winter paddenstoelen te ontdekken. Vaak zijn het overblijfselen van voor de winter, maar er zijn enkele soorten die best een beetje winter, en zelfs matige vorst, goed verdragen. Toevallig zijn het vaak eetbare soorten die je ook aan kunt treffen in de winkel. Eén ervan is het Fluweelpootje waarvan de steel, de naam zegt het al, fluwelig behaard is. Die moet je eigenlijk verwijderen, maar meestal gebeurt dat niet. Een andere soort is de Oesterzwam.

Die Fluweelpootjes zitten altijd in een bakje met andere paddenstoelen verpakt, in een paddenstoelenmelange. De Oesterzwam is een bekende, smakelijke soort die je afzonderlijk kunt kopen. Het zijn beide saprotroof levende zwammen die, net als de champignon, dus organisch materiaal afbreken. Op zo’n substraat kunnen ze geteeld worden. Dat is bij de teelt van champignons iets gemakkelijker, want die kun je bijvoorbeeld in bakken met mest kweken. Die andere groeien op hout dat bij de teelt met de sporen ervan wordt geïnjecteerd. Champignons gedijen goed onder een iets hogere temperatuur, maar Fluweelpootjes en Oesterzwammen hebben dus een koude periode nodig om vruchtlichamen te vormen. Dan pas fructificeren ze en dat maakt de teelt dus een stuk lastiger. Ik las eens over een hobbyist die er mee aan de gang was gegaan, maar er wel klaar mee was toen er maar geen paddenstoelen tevoorschijn kwamen. Gefrustreerd werden de houtblokken ergens in de tuin op een hoop gegooid en zie, een paar weken later, vast na een koude periode, kwamen er plotseling allemaal Oesterzwammen tevoorschijn. Toen bleek dat geduld een schone zaak is.

De laatste tijd kwamen meerdere meldingen van paddenstoelen bij mij binnen en vrijwel altijd betrof het Oesterzwammen. Zo ook bij Didier Eldik in Roden die mij een mailtje stuurde waarin hij meldde dat er bij hem op een dood boompje een voor hem onbekende paddenstoel groeide. ”Het zal wel weer een Oesterzwam zijn” dacht ik, maar dat weet je nooit zeker. Ik meldde hem daarom de volgende dag even langs te komen. Ik was er welkom, maar zelf was hij dan afwezig. Meneer heeft zonder meer een opvallende tuin, want de natuur mag er haar gang gaan. Dat betekent dat er dan een mini-oerwoudje ontstaat. Leuk voor vogels en kennelijk ook voor katten waarvan ik er twee ’zware jongens’ trof. Overigens zou bijna heel Nederland één groot bos worden wanneer je het aan de natuur overlaat. Vanzelf komt er dan ook dood hout in en dat was bij Didier ook het geval. Oesterzwammen zag ik er echter niet op de dode stammetjes, maar wel andere soorten waar een leek niet direct een zwam van maakt. Dat zijn korstjes en hele kleine dingetjes, soms van maar een millimeter groot. Ik had de moed al bijna opgegeven en besloot om de tuin heen te lopen in plaats van tussen de boompjes (woudreuzen zijn het nog niet) door te struinen. En toen ontdekte ik de Oesterzwammen, want dat waren het wederom, waarvan ik de foto maakte die u boven dit stukje ziet afgebeeld. Oesterzwammen hebben in het algemeen een lichtgrijze kleur, maar buiten, in weer en wind, verkleuren ze en worden ze aangetast door de weersinvloeden en zien ze er niet meer appetijtelijk uit.

Op het verkeerde been

Hele kleine paddenstoeltjes werden gemeld door Henk Woldring die, samen met vrouwlief Helma, woont in het landelijke gebied aan de J.P. Santeeweg tussen Nietap en Roden. Op een met golfplaten bedekte kippenren groeien in de gootjes ervan talloze kleine bekervormige zwammetjes van enkele millimeters groot. Daar groeit een Hazelaar boven en die bekertjes groeien nu op de oude mannelijke katjes van vorig jaar. Als mycoloog weet je dat het mummiekelkjes zijn, zo heten de pakweg 10 soorten, en omdat ze op katjes groeiden van de Hazelaar denk je direct aan het Hazelmummiekelkje. Er zijn echter validiteitseisen gesteld die zeggen dat er microscopisch onderzoek moet worden verricht om een soort te benoemen. Dat was maar goed ook, want toen bleek onverwacht dat het, vanwege afwijkende microscopische kenmerken, het Populierenmummiekelkje was.