Maria’s Mooie Mensen 276

 

Vroeger had mijn moeder een pink die het weer kon voorspellen. Als klein kind snapte ik er niks van. Magie; het was weer één van de eigenschappen die ik mijn moeder naast dapper, lief en de allermooiste toeschreef. Het arme pinkje was even te vaak gebroken, had niks meer te verzetten en zei al ‘krak’ als de hondenriem even te snel, te strak werd getrokken. Als de atmosfeer dan in beweging was en extremen zoals hevige sneeuw zich aankondigden, liet het pinkje zich gelden. ‘Het gaat sneeuwen’ zei mijn moeder dan stellig en als kind hing ik dan aan haar lippen. Inmiddels kan ik zelf ook wel voor een wandelend weerstation door. Waar onze weerman Johan Kamphuis zijn weerkaarten en meters nodig heeft, heb ik simpelweg mijn hoofd die zich laat gelden zodra de atmosfeer in rep en roer is. Onweer in de zomer staat voor mij al een aantal jaren garant aan hoofdpijn en deze winter kan mijn hoofd ook feilloos de stormen en sneeuwbuien aangeven. En net als ik zelf vroeger, hangt mijn dochter dan ademloos aan mijn lippen. Sneeuw of storm zijn weervarianten die voor de kinderen tot de verbeelding spreken en dus als niemand minder dan mama het aankondigt, dan moet het wel goed komen. Net als mijn moeder vroeger echter, moet ik nu wel oppassen wat ik precies vertel aan dochterlief. In de kring op school namelijk kan alles weer te tafel komen en hoe, dat is de vraag? Voor ik dus als heks bestempeld wordt omdat ik het weer kan voorspellen, hou ik me dus maar op de vlakte wanneer de storm weer eens zorgt voor een dagje vol met ‘kopzeur’. En ’s avonds bij het eten polsen manlief en ik regelmatig even voorzichtig of ons meisje nog wat in de kring gemeld heeft. Meestal blijkt dat haar bescheidenheid nog wat de overhand heeft en meldt ze stellig dat zij haar vinger niet op heeft gestoken. Afgelopen week leerde ik helaas dat de kring niet het enige moment is wanneer ze vrolijk alles van thuis doorklept. Zo vertelde ze in de auto naar huis dat ze juf eens even volledig uit de doeken had gedaan hoe het met onze Pippi is. Verbaasd kijk ik even opzij; ik weet wel hoe het met onze Pippi is namelijk, de kat is hartstikke dood. ‘Maar’, kwekt ze vrolijk verder, ‘ze is altijd dichtbij.’ Ontroerd denk ik dat mijn meisje nu haar hartje zal aanwijzen aangezien ik haar verteld heb dat iedereen die we lief hebben altijd in ons hart met ons meegaat. Maar nee, zelf heeft ze een veel meer logische verklaring. ‘Ze ligt gewoon in de tuin, onder de boom. Heel vlakbij hoor’.