Maria’s Mooie Mensen 496

Thuiswerken is vrij vaak verre van ideaal. Zul je altijd zien: zit je een telefonisch interview af te nemen, gooit er op de achtergrond iemand een beker Fristi om en zie je hoe ze zeer zelfredzaam met allerlei handdoeken in de weer gaan om dit op te ruimen. Terwijl ik probeer het verhaal van de beller op te tekenen, zie ik in een ooghoek hoe al die natte handdoeken richting wasmand verdwijnen, onderwijl een spoor van kleine Fristi-drupjes achterlatend op de vloer. Onze kinderen zijn niet anders gewend dan dat wij ook thuiswerken. Toen oudste dochterlief nog heel klein was, werkte ik zonder oppas volop om haar heen. Elk slaapje werd benut en ik wisselde volle aandacht voor haar redelijk makkelijk af met momentjes dat ze zelf speelde. Ook haar zusjes weten niet beter dan dat mama vaak even achter de laptop bezig moet. Omdat ik zoveel om ze heen werk, weten ze ook maar al te goed wat papa en mama doen. In hun toekomstplannen zit bij allemaal dan ook een baantje bij ons inbegrepen, meestal gecombineerd met één van de andere droombanen. ’s Ochtends juf, na schooltijd bij ons de telefoon opnemen en daarna gauw patat bakken in haar eigen cafetaria; onze middelste ziet alleen maar mogelijkheden. De uitspraak ‘je kunt worden wat je maar wil’, zit er goed in hier. Oudste dochterlief is alweer acht en zich zeer bewust van de wereld om haar heen. Zij weet niet alleen dat haar ouders kranten maken, maar krijgt ook steeds meer van de inhoud mee. In de tijd van de verkiezingen legde ik haar het hele systeem van een gemeenteraad uit, compleet met zetels en verhoudingen erbij. Als haar moeder eens voor de camera stapt – wat heel soms nodig is voor een update op social media – bekijkt ze dat niet alleen trots, maar is ze ook kritisch op de inhoud. En als ik thuis telefonische interviews afneem, luistert ze graag mee. Vorige week liep het thuiswerken een beetje in de soep. De schoorsteenveger kwam een uurtje later dan verwacht, zodat ik een belangrijk interview niet aan de keukentafel maar noodgedwongen achter het bureau van ons oudste meisje moest afnemen om aan zijn lawaai te ontsnappen. Aan de andere kant van de lijn werd er niks gemerkt van hoe ik ietwat opgevouwen op haar meisjeskruk tussen de rommeltjes zat te pennen. De heer in kwestie vertelde me over het onderwijs aan Oekraïense kinderen wat in het Westerkwartier inmiddels goed loopt. ‘Kinderen kijken niet naar of iemand die taal niet spreekt’, stelde hij, ‘die pakken het samen makkelijk op.’ Oudste dochterlief was daarna nieuwsgierig naar mijn gesprek. Ik vertelde haar over de Oekraïense kinderen die het liefst gewoon weer naar school gaan in hun nieuwe land. Ze bewees al snel het gelijk van degene die ik interviewde. Deze weldoener kan niet wachten tot er misschien ook Oekraïners op haar school gaan meedraaien. ‘Ik kan ook ontzettend goed de ruzies tussen mijn zusjes helpen sussen, dus ik kan ook hiermee vast goed helpen’, bedacht ze zich. ‘Ik geef ze gewoon een hele dikke knuffel en dan maakt het niet uit dat we niet dezelfde taal spreken.’ Die Oekraïense kindjes zouden bij haar wel goed af zijn. Ik hoop maar dat ze overal zo welkom zijn.